Het terras van Catharinahof

Dagdromen over olie en stoom, dichtbij en ver weg

Een terrasje pikken. Grave binnenstad heeft ze te kust en te keur, in de zon en de schaduw. Boeiend uitzicht op onze monumenten, straatjes, de Maas en vooral op de mensen die langs komen. Het schouwspel van een vestingstadje in zonovergoten zomertooi. Beschut door het lover van platanen en de parasols van Trappist. Deze zomer is ons areaal aan gezellige pleisterplaatsen verrijkt met Catharinahof en zijn terras.
We zijn er neergestreken en kijken, in de luwte van een broeierig zomerbriesje, naar een prikkelende omgeving. Catharinahof ligt op een ‘eiland’ vanwaar de vesting zich in volle glorie voor je ontvouwt. Elisabeth met haar ‘spitske’ voert als vanouds de boventoon, uittorenend boven de blauwe en rode dakpannen, ook al is haar toren gesneefd in het strijdgewoel dat de stad afwisselend groot gemaakt heeft en met de grond gelijk. Het terras van Catharinahof blikt op het nieuwe havenfront, ooit bedacht door Erskine, als buitenwand van het stadswijkje Infirmerie. Een modern begijnenhof, gedrapeerd rond de protestantse kerk.

Staalborstel

Prachtig ‘geïntegreerd’ in  het ‘maaiveld’ van de Havenstraat het nieuwe onderkomen van Watersportvereniging De Stuw. De haven vol rustige bedrijvigheid van haar leden die met hun bootje, scheepje of jachtje in de weer zijn. Recreëren op het water houdt gelukkig altijd iets van het aanhoudende gevecht tegen de elementen; de romantiek van de staalborstel de verfkwast. Over de haven dwaalt mijn blik naar het Noorderblok, voorheen kazerne en klooster, de kazematten voor bastion Bekaf en het grauwgrijze anachronisme, de werf, die al decennia ligt te wachten op de hand van een overheid die haar liefde voor de stad in echte daden weet om te smeden. De schemerzone tussen mooi en lelijk.

Parkeerplaats

Na de haven wordt de ellende van het voorbije anderhalve decennium zichtbaar, het terrein van voorheen Cox. Het best te omschrijven als een puinzooi; de fase tussen droom en werkelijkheid heeft, zoals vaak in Grave, zolang geduurd dat de gedroomde werkelijkheid het heeft afgelegd tegen de echte Graafse realiteit, bestuurlijk onvermogen, ’t Wisseveld. Vervolgens wordt het oog getrokken door nog een open wond, die van de voormalige uloschool die plaats gemaakt heeft voor de parkeerplaats voor ambtelijk Grave. Hier is een nieuw wijkje gepland. Het is maar goed dat er in Grave veel licht kan zitten tussen plan en daad want vanaf het terras van Catharinahof zie je in een oogopslag, dat het Oranjebastion na de sloop van de school gehavend is tot een nooit voltooid project. Met ruim zicht op de lelijkheid van de dakkapellen die er in alle maten en soorten gepionierd zijn.
Een wijkje, waarvoor wethouder Daandels hopelijk nooit definitief gaat tekenen, zou in deze context van water en, schoorvoetend, een zekere allure, wel zeker een nieuwe valse noot worden. Te bescheiden en kleinschalig om, in eerlijke de concurrentie, de ‘missing link’ te leggen tussen de gehavende jaren zeventig en het moois dat de jaren tachtig en tien ons gebracht hebben.

Stadsarchitectuur

Onze blik komt steeds weer terug bij onze haven. Mooi ingekleurd door de kantine van De Stuw, de zwoele bedrijvigheid van het haventje en het verjongde talud van de Koninginnedijk. Als je je blik met de linkerhand afkadert vormt het een volmaakt beeld uit een toeristische folder of zelfs een glossy over moderne stadsarchitectuur. Neem je dat kader weg dan spat de idylle uiteen. Een getourmenteerde  aanlegsteiger, een terrein dat je beleeft als Hiroshima na de bom. ‘Hier houdt de wereld op! De gemeente is wat plannetjes aan het bedenken en de Gelderlander is er ook al een keer extra voor naar Grave gekomen. Maar in dit deel van Grave is het al Gond en Bouw Bank (GBB) wat de klok slaat en dus zal de bankier-projectbemiddelaar van ’t Wisseveld voor elk idee gewonnen en afgekocht moeten worden. Huren om er iets fatsoenlijks van te maken. Dat zal het dus wel worden en vervolgens verder wachten op de tijd die rijpt voor GBB. Besturen is vooruitzien…

Olie en Stoom

Besturen vooruitzien… Het doet me denken aan een prachtig plan van de ‘Sociëteit Olie en Stoom’ voor het hoekje van de haven waar in diens glorietijd zand gelost werd voor Cox. De sociëteit presenteerde haar plan een paar jaar geleden aan de gemeente, wier ambtenaar hooghartig zijn neus optrok waarmee het plan ambtelijk afgeschoten werd. Grave op z’n Graafst, mooie woorden in overvloed maar een ten hemel schreiend gemis aan vermogen om ijzer te smeden als het heet is.   
Die genootschap Olie en Stoom zou graag in onze haven een goede hand vol sleepboten willen afmeren, monumentjes van de industriële revolutie in de sector. Met de geur van olie en stoom, die even monumentaal geworden is als de scheepsmotoren die brandstof omzetten in pluimen rook en stoom en die daarmee in hun glorietijd de titanenstrijd gevoerd hebben om onze welvaart naar ons toe te brengen. Het zou geweldig zijn om die bedrijvigheid weer gade te kunnen slaan aan de voet van de Catharinahelling, eventueel geflankeerd door de boot van onze laatste Maasvisser, Willems, De Koek in de volksmond. Graeft Voort heeft die opgespoord en wil hem graag een plek geven in onze haven. Graafs erfgoed, een stukje Grave dat, in al zijn eenvoud, tot ons roemrijke verleden hoort.

Romantiek

De kans van die slepertjes van ‘Olie en Stoom’ ligt nog altijd voor het grijpen. Na wat goede afspraken kunnen die bij wijze van spreken overmorgen de Maas afzakken van de steiger in de Kraaijenbergse Plassen (weg van Beers naar Linden). Of beter, wanneer ze zelf de steiger gebouwd hebben. Op deze manier kunnen flink wat mensen gelukkig gemaakt worden. Die van de ‘Sociëteit Olie en Stoom’ om te beginnen maar ook de bewoners en bezoekers van Catharinahof en de mensen die het voorrecht genieten aan de Havenstraat te wonen. Maar ook voor de zo geliefde toerist zou het een welkome variatie kunnen zijn op de wel erg uniforme en monotone romantiek van jachthavens van Hoek van Holland tot Millingen en van Delfzijl tot Maastricht.

Elegantie

Mensen van de sociëteit beleven hun hobby, of beter, dit stukje levensinhoud, als het beheer van monumenten. Met recht en reden; vaartuigen en machines die het eeuwige leven lijken te hebben dankzij hun liefde en zorg die ze pruttelend houden. Of, waarmee ze, als het er echt op aan komt, stoer ronkend paardenkrachten kunnen zetten voor het serieuze werk. Ze hebben er als schipper bijna een dagtaak aan om de gang er in te houden, maar ze doen dit liefdewerk met zoveel genoegen dat de dagen om vliegen. De robuuste elegantie en indrukwekkende bescheidenheid nopen tot liefkozen met staalborstel en schilderskwast en het krachtig kloppend hart beloont de strelende hand van de mecanicien met sonoor gespin. Mooie zaken om af te kijken, als Gravenaar, als passant en toerist. Ik ben nog nooit in een haven geweest waar het ontbrak aan mensen die zulke bedrijvigheid gadesloegen en ervan genoten. Grave hoeft alleen maar ja te zeggen om het in de schoot geworpen te krijgen. Een paar keer slikken over wat oud zeer en lange tenen en vervolgens trots genieten. Nog zo’n probaat Graafs recept.

 

Ben Bongaards (www.Gravepolitiek.nl)
http://sos.stuurhut.nl/








alle inhoud op www.gravepolitiek.nl valt onder © en mag niet zonder toestemming gepubliceerd worden.